donderdag 21 december 2017

de paradox van de kortere barokstok

Onlangs was ik bij strijkstokken-bouwer Kees van Hemert in Den Haag die zich heeft gespecialiseerd in het bouwen van stokken van verschillende periodes; van vroeg barok (ca. 1600) tot het moderne model; ontwikkeld door Francois Tourte rond 1780.
Ik heb al eerder in mijn leven ervaring gehad met het spelen van barokstokken; o.a. met projecten van het Helios-ensemble waarbij we werken van Buxtehude en ook cantates van Bach uitvoerden. Toen viel mij al op wat een rijkdom aan mogelijkheden er ontstonden. Toen ik mij weer opnieuw ging bezighouden met Bach merkte ik dat ik vanzelf tegen een muur aanliep met wat ik muzikaal probeerde te realiseren. Ook al heb ik een zeer goede "moderne" Franse stok van Victor Fetique.


Totdat ik mijn zoektocht begon heb ik mij nooit gerealiseerd dat er zoveel verschillende modellen stokken binnen één muziekperiode bestaan maar eigenlijk is dat ook logisch. Er is een algemene indeling van muziekperiodes; bijv. barok, klassiek, romantiek. etc. Maar die indeling is zeer arbitrair en globaal; het impliceert dat er in de periode die men in de muziek de barok noemt (tussen 1600 en 1750) geen ontwikkeling zou zijn terwijl er een enorme evolutie is in het componeren van muziek.
De ontwikkeling van de strijkstok loopt hiermee parallel. In grote lijnen wordt de stok steeds langer en zwaarder vanwege de geleidelijke toename van volume in de muziek en het ontstaan van steeds langere aangehouden lijnen met als "hoogtepunt" van deze ontwikkeling de zogenaamde "unendliche Melodie" van Richard Wagner. De barokmuziek kenmerkt zich echter door versieringen, subtiele gebaren, en verfijnde articulatie. Een barokstok die wel tot 20 gram lichter kan zijn dan een moderne stok van gemiddeld 60 gram heeft veel meer flexibiliteit om deze subtiliteiten aan te brengen. Als violist heb je dan de sensatie alsof de strijkstok een extra vinger is geworden. Het spelen met een barokstok voelt als tekenen/schrijven terwijl een moderne stok meer voelt als verven om wolken van geluid mee te creëren; een compleet andere gewaarwording!
Een ander interessant gegeven is de lengte van de strijkstok; een moderne stok is ca. 10 tot 20 cm langer dan een barokstok; dat hangt weer samen met de ontwikkeling van lang aangehouden melodische lijnen waarbij het volume zoveel mogelijk constant moet zijn. Maar nu komt er een interessante paradox: Met een langere moderne stok is het makkelijker om lang aangehouden noten te spelen máár met de korte barokstok is het veel makkelijker om langzaam te strijken en een noot als het ware 'uit het niets" te laten beginnen en weer laten verdwijnen. De moderne stok zet de toon dus als het ware aan/uit terwijl je met de barokstok de toon meer zelf kunt creëren.

Tot vrij recent ging men er vanuit dat de barokstok die rond 1700 werd gebruikt zo'n 71 cm lang was. Dit type strijkstok is inderdaad in die tijd al ontwikkeld maar later is uit onderzoek gebleken dat vrijwel alle violisten tot ca. 1750 (het einde van de barok) op een kortere barokstok speelden die rond 1690 is ontwikkeld. Ik wist dit nog niet toen ik met de barokstokken de Bach solo-sonates en partita's bij Kees aan het uitproberen was maar mijn voorkeur ging automatisch uit naar een kortere stok!
Hoe valt dit te verklaren? Misschien heeft het te maken met dat het bouwen van strijkstokken en instrumenten al anticipeerden op ontwikkelingen in de muziek die aan het doorbreken waren. De Franse violist en tijdgenoot van Bach, Leclair, speelde bijvoorbeeld al op een langere barokstok maar zijn muziek staat dichter bij de galante stijl, (een voorloper van de latere klassieke stijl) die rond 1720 ontstond en waarbij de monodie/melodie al belangrijker werd. De solo-sonates en partita's van Bach rond 1720 geschreven is echter het hoogtepunt en tevens eindpunt van de barok waarbij harmonie, complexe polyfonie en retoriek de ingrediënten van zijn muziek zijn. Zulke muziek vraagt om een enorme flexibiliteit en subtiliteit m.b.t. de streektechniek dus dat verklaart wellicht waarom een kortere en lichtere barokstok bij Bach beter blijkt te werken.



dinsdag 12 december 2017

van Paganini terug naar Bach

Inmiddels zijn er bijna twee jaar verstreken sinds de release van mijn CD met de 24 caprices van Paganini,
Al snel na de opnames en nog vóór de officiële release van de Paganini caprices werd mijn belangstelling voor Bach opnieuw gewekt.
Helemaal uit de lucht vallen kwam dat niet. Er verscheen een nieuwe biografie over Bach van J.E. Gardiner en kort daarop enkele geluidsdocumenten van Govert Jan Bach. Ik heb dat allemaal gelezen en beluisterd en werd getroffen door een nieuwe zienswijze waarbij het menselijke aspect van Bach als persoon, zijn levensloop, en hoe dat in verbinding staat met zijn muziek centraal staat.
Toevallig (of niet?) waren er in die tijd ook de nodige mensen in mijn omgeving die vroegen of Bach een idee voor een volgend project zou zijn maar iets hield mij tegen; was het het ontzag voor de muziek, de wetenschap dat er al zoveel fantastische opnames van bestaan en wat was daar nog aan toe te voegen, en dan nog het vraagstuk over authenticiteit? Kan/mag je als "modern" violist wel barokmuziek spelen en zoja, hoe realiseer je dat? Hoe kom je tot een persoonlijk concept? Meerdere malen heb ik dan ook getwijfeld en nogal wat moed moeten verzamelen voordat ik de knoop definitief kon doorhakken.

Als musicus ben je in het dagelijks leven vaak aan het studeren met een concreet doel: een aanstaand concert, een repetitie de volgende dag enz.
Daarom kan het soms heerlijk zijn om vrij te musiceren zonder doel. Ik speelde dan ook regelmatig één of meerdere delen uit één van de sonates of partita's van Bach die ik in mijn jeugd al grotendeels had ingestudeerd en af en toe uitgevoerd.
 Op een zekere dag loste ik als het ware op in die muziek. Ik vergat mijzelf, mijn instrument, het was een sensatie van volledige éénwording. Toen ontstond er een realisatie: dát is de grootste kracht van de muziek van Bach. Vanaf dat moment kwam het besef dat ik niet om Bach heen kon en dat het een logische keuze leek voor een volgend project na Paganini.


 Bach zelf had hij het bij het doel van muziek o.a. over "recreation des gemüths" dat letterlijk recreatie of herschepping van het gemoed betekent en dat wil eigenlijk zeggen: een opbeurend vermogen voor de geest, nieuwe inspiratie krijgen, innerlijk weer in balans komen. Geen andere muziek voor viool-solo biedt dezelfde rijkdom aan emoties: droefheid, pijn, maar ook troost, vreugde; bezinning en levensenergie, geborgenheid, monumentale grootsheid en overrompelende virtuositeit. Het is alsof het complete bestaan in de muziek verwerkt is en dat op alléén op de viool; het lijkt haast onmogelijk en toch kreeg Bach het voor elkaar. Bovendien is deze muziek tijdloos; hoewel gecomponeerd in een volkomen andere tijd blijft Bach's muziek altijd actueel en nooit gedateerd en kan het altijd weer mensen raken omdat het een appèl doet op fundamentele emoties van de mens door alle eeuwen heen.


Ook al heeft de muziek van Bach en Paganini schijnbaar weinig met elkaar te maken; voor de viool als solo instrument vormen zij samen één geheel.
Paganini's 24 caprices kan het "Nieuwe Testament" genoemd worden waarin de technische mogelijkheden op de viool tot het maximaal haalbare werd uitgebreid. Het fundament, het "Oude Testament" voor de viool ligt in de muziek van Bach. Bij hem kwamen alle wegen samen. Paganini verkende nieuwe mogelijkheden op de viool, Bach maakte op de meest creatieve manier gebruik van alle mogelijkheden die hem in zijn tijd tot zijn beschikking stonden en creërde daar letterlijk "ongehoorde" muziek mee.
Zijn drie sonates en partita's zijn bijna driehonderd jaar later nog altijd de ultieme bijbel voor iedere violist.